Israël en de gemeente

Gepubliceerd op 16 augustus 2026 om 14:02

Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen (Gal.3:29).

In een leerdienst over de relatie tussen Gods volk, Israël en de gemeente (de kerk) zei de voorganger dat er grofweg drie visies aangaande deze relatie bestaan.

  1. De visie waarin de gemeente volledig gescheiden is van het volk Israël. In deze visie gaat God een weg met zijn volk, en een andere weg met de gemeente. (deze visie vinden we terug in de bedelingenleer, het dispensationalisme). God heeft een specifieke aardse roeping voor het volk van Israël en een specifieke hemelse roeping voor de kerk.
  2. De visie waarin de gemeente (de kerk) het volk van Israël heeft vervangen. Niet Israël is het uitverkoren volk, maar kerk is voortaan het uitverkoren volk van God. (deze visie vinden we terug in de vervangingstheologie).
  3. De derde visie is de visie waarin ik mij geheel kan vinden. Dit is de visie dat Israël het uitverkoren volk van God is en blijft, maar dat de gelovigen uit de heidenen door geloof in Christus deelkrijgen aan de beloften die God aan Israël heeft gedaan. Voortaan is er één volk, bestaande uit zowel joden als heidenen.

Deze derde visie wil ik in deze overdenking nader toelichten.

In Romeinen 10:12 zegt Paulus: Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek. Immers, een en dezelfde is Heer over allen, rijk voor allen, die Hem aanroepen. Met name de apostel Paulus benadrukt op verschillende plaatsen in zijn brieven dat er geen onderscheid tussen jood en heiden bestaat als het gaat om het heil in Christus. Binnen de bedelingenleer wordt dit begrepen als geen onderscheid tussen jood en heiden binnen de gemeente het lichaam van Christus. Het onderscheid tussen het volk Israël (de bruid) en de gemeente (voornamelijk bestaande uit niet-joden), zou dan wel blijven bestaan.

Het probleem wat zich hierbij voordoet is, dan de vraag hoe joden die in de tegenwoordige tijd tot geloof in Christus komen zichzelf moeten beschouwen. Zijn zij nog leden van Gods volk (Israël) of moeten zij zichzelf nu als losgemaakt van Gods volk beschouwen als leden van het lichaam van Christus waarin geen onderscheid meer bestaat tussen jood en heiden?  Mijn inziens wordt hier een probleem geschapen wat niet nodig is als we ons tot de Bijbelse teksten beperken. Op een aantal van deze teksten zal ik nu ingaan:

- In Efeze 2:11-22 beschrijft Paulus hoe de positie van de gelovigen uit de heidenen is gewijzigd nadat zij tot geloof in Christus zijn gekomen. Er is een vroeger en een nu.

Vroeger: Bedenkt daarom dat gij, die vroeger heidenen waart naar het vlees, en onbesneden genoemd werdt door de zogenaamde besnijdenis, die werk van mensenhanden aan het vlees is, dat gij te dien tijde zonder Christus waart, uitgesloten van het burgerrecht Israëls en vreemd aan de verbonden der belofte, zonder hoop en zonder God in de wereld (vers 11-12).

Nu: Maar thans in Christus Jezus zijt gij, die eertijds veraf waart, dichtbij gekomen door het bloed van Christus (vers 13). Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods (vers 19). Heidenen, zijn voortaan medeburgers van de heiligen (dit zijn de gelovigen uit Israël die er al waren). Voortaan behoren ook de gelovigen bij dit volk van heiligen, de gemeente, en maken ook zij deel uit van het huis van God, de geestelijke tempel. Het huis van God, waarnaar ook Petrus verwijst (terwijl hij waarschijnlijk schrijft aan joods gelovigen) in 1 Petrus 2:5 : en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus. Er is één God, één Christus en één huis van God, oorspronkelijk bestaand uit gelovigen uit Israël, maar nu bestaand uit joden en heidenen.

Wij als gelovigen uit de heidenen mogen bescheiden en dankbaar zijn dat ook wij (die vroeger zonder God en zonder hoop) nu deel mogen uitmaken van Gods huis en deel hebben gekregen aan Gods beloften aan Israël.

- In Rom. 11:15-26 vergelijkt Paulus de gelovigen uit de heidenen en de gelovigen uit Israël met takken van een olijfboom. Ik wil nu niet ingaan op de betekenis van de olijfboom, maar één ding staat vast. Het is één boom en alle takken zowel joden als heidenen maken deel uit van de éne boom. De heidenen hoorden van oorsprong niet bij deze boom, ze zijn er als een wilde loot daartussen geënt en hebben daardoor aan de saprijke wortel van de olijf deel gekregen (vers17).  Israëlieten die niet geloven zijn weggebroken, maar wanneer zij tot geloof komen zullen zijn opnieuw geënt worden en deel uitmaken van de éne boom. Hoe mooi is het wat Paulus verderop zegt: Maar ook zij zullen, wanneer zij niet bij hun ongeloof blijven, weder geënt worden; God is immers bij machte hen opnieuw te enten. Want indien gij uit de wilde olijf, waartoe gij naar uw natuur behoort, weggekapt en tegen uw natuur op de edele olijf geënt zijt, hoeveel te meer  zullen dezen, naar hun natuur, op hun eigen olijf geënt worden (vers 23-24). Ons als heidenen past alleen maar bescheidenheid: beroem u dan niet tegen de takken! Indien gij u ertegen beroemt - niet gij draagt de wortel, maar de wortel u (vers 18).

Zowel in de bedelingenleer als in de vervangingstheologie dreigt deze bescheidenheid tegenover Israël te verdwijnen. Immers binnen de vervangingstheologie maakt Israël niet langer deel uit van de éne boom terwijl in de bedelingenleer de gelovigen uit Israël als het ware geënt zijn tussen gelovigen uit de heidenen (terwijl het in wezen andersom is).

- Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen (Gal. 3:29). 

Paulus schrijft dat gelovigen uit de heidenen door het geloof in Christus deel gaan uitmaken van het zaad van Abraham. Hieraan koppelt hij dat zij daardoor ook deel hebben gekregen aan de belofte aan Abraham.  In Galaten 3: 7 lezen we: Gij bemerkt dus, dat zij, die uit het geloof zijn, kinderen van Abraham zijn. Allen die geloven, joden of heidenen zijn kinderen van Abraham en hebben deel aan de belofte. Geheel hiermee in overeenstemming schrijft Paulus in Romeinen 9:24-26: En dat zijn wij, die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen, gelijk Hij ook bij Hosea zegt: Ik zal niet-mijn-volk noemen: mijn-volk, en de niet-geliefde: geliefde. En het zal geschieden ter plaatse, waar tot hen gezegd was: gij zijt mijn volk niet, daar zullen zij genoemd worden: zonen van de levende God.

Let op: wanneer je de tekst in Hosea naleest ontdekt je dat zij die niet-mijn-volk worden genoemd behoren tot het tienstammenrijk van Israël die verstrooid waren en God ontrouw waren geworden. God had hen vanwege hun afgoderij een scheidsbrief gegeven en voortaan werden zij beschouwd als heidenen. God belooft hen echter een herstel, en zijn zullen genoemd worden: “Zonen van de levende God”. 

Diezelfde belofte pas Paulus toe op de gelovigen uit de heidenen. Oftewel: of je nu een Israëliet bent of heiden: je hoort bij het volk van God en allen worden genoemd: zonen van de levende God! 

Tot slot: ik besef dat er over dit onderwerp nog veel meer geschreven kan worden, maar dat laat ik voor nu even achterwege. Hopelijk mag deze overdenking aanzetten tot verder nadenken over deze kwestie.

Eén lichaam en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt in de éne hoop uwer roeping, één Here, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen. (Efeze:4-6)

Voetnoot: Alle Bijbelteksten in deze overdenking zijn ontleend aan: Vertaling 1951 in opdracht van het Nederlands Bijbelgenootschap bewerkt door de daartoe benoemde commissies, © Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap, 1951.